Weekblad Mercurius, 22 Nov 1862

De hier onder volgende brieven, geschreven door Jacob van Mulken aan zijnen zoon en zwager te Holtum, ruimen wij op verzoek gaarne eene plaats in, uit hoofde, dat velen onzer lezers er belang in stellen, om met de aankomst en het lot der landverhuizers bekend te worden, waardoor wij verpligt zijn, eenen anderen brief, geschreven door den WelEerw: Heer R. uit eupen, thans Pastoor te Medi..n, in Amerika tot een volgend nummer terzijde te leggen.

" Chaska, den 16 october 1862

Waarde Zoon!
De oorzaak waarom ik zoo lang vertoef heb is, dat ik eerst eens moest zien hoe het hier in deze andere wereld gaat. Wij zijn op den 3 April te Antwerpen vertrokken, en en eene zeer lange reis gehad, wij zijn op Christi Hemelvaart (in 1862 - 29 Mei) te Quebek aangekomen, dit is de eerste stad van amerika. De reis is wel lastig maar niet gevaarlijk, wij zijn allen op zee krank geworden, maar dat duurt niet lang dan wordt men zoo gezond als eenen visch in het water . Op heilig Sacramentsdag (in 1862 - 19 Juni) heb ik den eerste maal mijn eigen land betreden, ik heb 5 Bunders gekocht van het beste dat ik heb kunnen vinden, en den grootvader ook. Wij hebben het bij een gekocht, het heet hier Nieuw-Holland. Mijn naaste buren zijn Peter Jaspers, Christiaan Salden, Kaspar Janssen en eene menigte andere menschen, het meesten deel allen Duitschen en Engelsche. Ik deel u niets meer mede van Mienesoota als ik gezien heb, en verders zal ik u meerder schrijven. Dit is eene provincie die de anderen te boven gaat, wie mij hier gezegd wordt. Ik ben gereist de provincie Kannada, de provincie Wisconsin door maar zoo schrikbaar als het hooi wast dat kunt gij niet gelooven, ik heb het zelfs gemeten op twee dagen 6 zol. Het turksche wijt en de zomer tarwe wast ook zoo, ik heb op Zondag gezien dat zij inde aren was op den 29 Junij. Hier ziet men meer land als bosschen het is zeer gezond, mij dunkt dat het hier warmer is als bij u maar met kan het toch uithouden. De aardappelen worden hier geplant eene meter van een, in de rij eenen voet dan zien ik geenen grond meer ik zelf heb hier geplant kappesmoes in zoo even gebroken bosch zoo wie het de ploeg maakt dit is u ongelooflijk wie het wast.

Zeer geliefde Zoon wat aangaat van tot mij te komen kunt gij in uw kinderlijk hart overdenken dat eenen Vader liever zijne kinderen bij zich heeft als in een wijt afgelegen land te gaan. Mij dunkt dat ik u alle dagen zien tot mij komen, en nog vergeet ik niet de laatste omhelzing die gij mij gedaan hebt als wij van een gescheiden zijn en mij getroost met te zeggen: ik zal u spoedig volgen. Het zal u mogelijk hart zijn uw leer te verlaten maar denkt niet dat gij iemand hier te boven gaat, hier zijn schoone steden waar schoonen werken gemaakt worden, en wat aangaat op het platte land voor timmerwerk betalen zij op den dag eenen Dollard dat is 250 dat is hollands geld en voor eenen mensch zoo alllerhand werk alle dagen een halve Dollard dat is 125 cents en in gras of oogst eenen Dollard. Zult gij mogelijk denken ik zal blijven tot die jaren van verpachting uit zijn dat moet mij goed zijn en dan eerst alles te verkoopen eer gij komt dat zou mijn vaderlijk hart in groote droefheid brengen dan niemand weet het wat zorge en angst ik heb over uwe afwezentheid. Geliefde Zoon! vergeet nooit de lessen die ik u gegeven heb, verlaat nooit u huis eer gij god gedankt hebt, gaat nooit te bed voor eerst gij u gebed verrigt hebt, onderhoud de geboden van God en van de Heilige Kerk, Geeft nooit gehoor aan een slecht vroumensch hunne woorden zijn zoet als honing en den uitval is bitter als gal.

Geliefde Zoon! ik moet ophooren, het praamt mij te zeer, wij zijn alle in goed gezondheid, ik uwe Geliefde Vader en Moeder zuster en broeder uw Geliefde zuster is een uur van ons zij woont te Schaacobi eene stad, zij verdient alle maanden 5 Dollars, in deze stad heeft men 6 kerken, 3 Katholijke priesters, en gaan nu weer eene schoone kerk bouwen. Wat aangaat den oorlog tusschen Zuiden en Noorden daar behoeft gij geen grooten angst voor te hebben, maar den oorlog tusschen Noorden en de Indianen die is grof geweest, de Indianen hebben de witte zoo barbaarsch mishandelt dat het te slecht is om te schrijven want ik weet dat de brieven gelezen worden van kinderen of hooren lezen dus volgens kunt gij denken hoe het gegaan heeft met die menschen. Maar nu gaat het hun ook zoo, alle dagen veel dood gemaakt en veel aan de galling gehangen dat is voor hun een groote schande. Geliefde Zoon! gaat naar Brijel en maakt de komplementen aan uw oom Pieter van Mulken en zijne vrouw en kinderen en aan alle die mij kennen en zegt hun uit mijnen naam vaart wel arm Pruissenland ik wenschte vele van hun hier dan behoefden zij niet meer met de mestkar te varen. Geachte Zoon! als gij in Holtem komt dan kunt gij mijne gansche reis zien en wie ik gevaren ben en in den brief van den Heer Pastoor moet gij zien hoe het met mijn geld gegaan is. Ik hoor op en denk dat gij mij spoedig zult volgen,
Uwen liefhebbende Vader
P. J. Van Mulken "