Deze brief is gelijk verstuurd met de brief gedateerd 20 september 1863.
" Benton den 29 september 1863
Zeer geliefde moeder, broeder en zusters en zwagers.
Voor in mijnen brief toen waaren wij nog allen zo fries en gezond maar nu ach dae goeden God is het al gauw verandert. Den 20 september toen klagt zig onzen Doores en den 21 toen legt hij zig op het bed, zijn hoofd dat woort zoo dik en zijn gans lighaam gelijk of hij het waater had en den 24 sten smoorgens toen is hij in den Heer ontslapen met zijn vol verstand. Nog niet meer dan eenne mienuit voor zijne dood toen zegt hij nog tegen mij vader lat mij nog eens uit die fles drinken en ik laat hem drinken en hij legt zig neder en is zo rasjens dood. O hij is zo zajens gestorven.
Wij en onze naber stonden om het bed en daar was niemand die zag dat hij zig wat vertrogt en zoo zajens is hij gestoorven. Gij kunt wel denken hoe jammerlijk mijne frouw geweest is en ook wij allen maar wij moeten denken wat God doet dat is welgedaan.
Den 26 en twintigsten toen is hij begraven zeer schoon en plegtig alle onze familie zijn toen bij ons geweest.
Den Voos van Berkeleer, Hendrik van den nonk van Eegt, Door van Greins van Schelberg, Mevus Mures, Peter Streukens en den anderen dag dat was zondag toen zijn die allen weder bij ons geweest en Peter Jozef Meulenners met zig vieren en Leonard Stelten zijn frouw en een kiend en Hendrik Moonen met zijn frouw en Doores Moonen met zijn gehel huisgezin en ook die van Greins en die van Streukens.
Hij is zeer plegtig begraven op zijn graf stadt een kruits met ennen krans om.
Gij kunt begrijpen welke smarten het voor ons is zulk eenen grooten joongen te verliezen.
Het is bij ons gelijk bij u dat men zegt dat is maar een kiend. Ja het is maar een kiend bij ons ook maar bij ons is zulk een kiend zoo goed als bij eennen van dertig jaar met te verdienen.
Ach dierbare familie wij hopen en vertrouwen dat hij tog bij God in den heemel mag zijn. Het was tog nog maar een onschuldig bloed die tog nog niemand gen leed gedaan heeft. Wij hopen dat zijne ziel mag rusten in het gezelschap van alle heiligen en engelen en dat voor ons allen mag biden bij God en ik hop dat het zelden van onzen kand ook mag gebeuren.
Hier meden eindig ik mijnen brief want onze droefheid is nog zo groot dat het bijna onmogelijk is dat te zegen.
Godefridus Roufs
Zeegt nu aan Truken van Winand Ummelen dat mij zijne zuster nu nog gezegt heeft dat zij nu wielt kopen voor haar vast neven haar deur. Gij moet niet denken dat het log of bedrog is ook niet dat zij daar eenig belang in had. Neen dat is niet het is maar om u uit den armoet te treken want gij zijt tog maar alle arme menschen als ik het nu betragt. Hoe het mij nu gat en het mij gegaan is toen ik bij u was. Als gij niet wielt koomen daan moet gij dadelijk schrijven dat gij niet wielt koomen dan behoeft zij zich gene moete meer aan te doen..
Gelooft aan mij ik zouw het u niet zegen als het zo niet was. Ik hoop dat gij aan mijn verzoek zult voldoen. Gij wet tog wel wat ik op den Nieustad was maar nu God zei gedank gat het mij zoo goed als er (g)eennen in uw dorp is."
met dank aan Dhr. Zef van de Bergh, Beek †