"Bentoon den 20 september 1863

Beminde Moeder en Broeder en Zusters, en Zwager.

Ik kom U te schrijven dat wij nog allen fries en gezond zijn en het zelfden hoop ik van u te hooren. Wij zijn allen gezond en gelukkig in Amerika gekoomen de reijs is wel wat lang gevallen maar het heeft ons tog zeer goed gegaan. Wij kregen zo goeden levensmiddelen, ik had het niet gemend dat het zo goed gegaan had, alle dag soep en vles, suiker zoveel als wij maar wilden. Wij kregen alle acht dagen onze schotel. Die hebt gij wel gezien zoo vol fles wat daar op ging, rundfles en varkensfles en rijs en beschuiten waaren zeer goed en het meel dat wij kregen was zoo goed als gij teer in de dampmoolen kunt krijgen en tee hebben wij nog zoo fel als gij hem bij u had dan zoud gij nog zoo veel dat wij gemakkelijk nog een jaar genoegd hebben. Die over Rotterdam vaaren die behoeven niet bang te zijn dat het hen niet goed en gaat maar wij hebben genen goeden wiend ghad. Wij zijn negen weeken onder wegen gevaart maar dat was nog niets het ging ons zeer goed. Maar gij moest eens hooren hoe die menschen spreken die over Antwerpen gevaaren zijn, welk eenne droeveige rijs dat die gehad hebben. Zij zijn 78 dag allen op het water geweest. Die van Schalbroek die zijn eenen mand voor ons ervoer geweest en zij zijn maar een dag voor ons in Amerika gewest en het heeft hun zoo slegt gegaan ge moest die eens hooren klaagen daar zijn ter geweest die hondert frang verterd hebben bij hetgeen dat zij van het schiep gekregen hebben. Zo is het hun gegaan die ondeugden Jood die belooft de menschen veel mar als hij hun heeft dan krijgen zij te veel voor te sterven en vel te wijnig voor te leven, zoo gaat het hun.

Ik wet niet hoe de menschen zoo dwas kunnen zijn dat zij geloof geven aan zulk een bedrieger. Ik durf u regt uit zeggen dat hij de menschen bedrigt maar zoo is het ons niet gegaan. Ik kan zeeggen dat wij eenne plazante rijs hebben gehadt. Wij hebben het nog beter gekregen als het mij den Heer Mentjens zelf gezegt heeft. Feel komplementen aan den Heer Mentjens en zijne frouw en zijn gans huisgezin. Zegt het hem dat het ons tog zoo goed gegaan is op die rijs. De agend van Vennes is somet ons gewest naar Londen en daar heeft hij ons gebragt waar wij zijn wielden. Wij zijn in Loonden driedagstiel geweest eer het schip gereed was. Wij hebben een schiep gehadt dat was zo groot het was 80 meter lang en 56 voet breet en vier verdiepeingen hoeg. Mijn frouw heeft den gehelen tijd gened en gestrikt op het schiep en ik heb gekaa(r)t. Zij hebben wel eens gespiedt maar zij aten tog goed ik en die kleinen Door van ons. Wij met ons twen hebben niet gespiedt. Wij zijn allen 6 gelukkig en gezond in Amerika gekoomen. Wij waaren niet bang op het water. Onzen kaptijn die had een fies gevangen die was zoo groot als gij zulk eennen kontdet zien dan zoud gij garne een tersijd voor gaan. Hij was zoo grod als dat paard van den Jes op den meert maar hij deugde niet voor te eeten als het vet dat hij in had. Hij had tien balen vet in. In Nieuwjoork heb ik nog aan die rijs moeten betalen, 15 doolar per groten man, ik en mijn frouw en mijn fader vvor vol en Mannes en Doores ieder voor half en die andertsse niets. Dat heeft mij gekost negen en vijftig doollaren van ons allen. Maar ik had wel overgewigt dat kost mij ook 15 doollaren. Ieder groten person kan maar 50 pond vervoerren en die kienderen 25 maar in uwe handen kunt gij een pak gragen wat gij dragen kunt. Maar wat gij in de handen dragt moet gij ook bij u houden op die ijzerenban want daar is genne verzekering van maar van het ander dat gehoeft gij niet naar te zien daar komt niets aan. Om negen uren savonds dan woord het liegt aangestoken en dat brand tot smorgens toe. En onze tuit voor water was nog te klein. Nu kunt ge tog wel weten dat ons niets gemankeerd heeft op het schiep. Nu kundt gij dezen winter gerust slapen en wij slapen nu al gerust.

Toen wij te Karvert aangekomen waaren des morgen an den dag toen is mijn vader en nog twee anderen voor uit gegaan. Toen ben ik en frouw en kiender daar gebleven. Toen is mijn vader bij Peter Joozef Meulenners aangekoomen en toen heft ons Peter Jozep vort met zijn wagen af komen halen en zijn oudste dogter. En ..a..ren zijn wij bij hen gewest drie weken en mijnen vader bij Wullem Jooressen. Ik kan het u niet alles schrijfen zoo goed als het ons heeft gegaan op de rijs. Er heeft ons niets gemankiert.

Wij hebben gekogt bij Peter Streukens en bij Doores Moonen en ook bij Hendrik Moonen. En bij din Door van de frouw Grijns van Schelberg en bij Driekens van de nonk van eget en dat zijn onze naber die woonen digt bij ons. En ook willem Joorischen wonde digt bij ons en die aanderen woonen etwas wijter van ons af. Dat is of zij op de Ban woenden zoo waar Ubaks wond. Ik heb gekogt met Dé van den Kurver van Schalbroek. Ik heb voor mij 25 akker en 5 spier koebest en 4 vaarken en 40 stuks hoender en een schoen huis, een ploeg, een eeg, een wagen en tarwe en haver en aardaplen en turk weijt en wij hebben genoeg om te leven. Het is niet met ons gelijk het met ons op den Nieuwstat was. Daar waaren wij befrest als het half winter was dat alles op was. Maar nu God zij gedank wij zijn niet meer bevreest. Onze Kienderen die zeegen nog diekwijls was onze bestmoeder nu ook nog bij ons dan behoefden zij niet meer broed te eeten. Dan zoudt zij ook wel net woorden gelijk wij onzen Jan die is zo diek gij zoudt hem niet meer kennen en wij zijn allen zo gaarne in Amerika. Ook mijn vader die is ook zo gaarne in Amerika. Hij is bij ons zoo lang als hij leeft. Hij zal niet eens naar mijn broeder wielen gaan zoo heeft hij hun leeren keennen op die rijs. Gij kunt wel denken dat ik daar goed kontend over ben dat hij hun heeft leeren kennen anders had ik nog dikwijls moeijelijkheid met hem.

Mijn broeder is toen wij te Sient Poel verbij waren van ons af gegaan. Mijn vader had met zijne vrouw wat kwesten gehadt en toen waren zij zo vals op mij dat zij meenden dat wij niet konden gewoorden zonder hun. Maar ik zeg u dat ik kantent ben daar over.

Dat goet dat ik gekogt heb dat is van mij daar van krijget mijn broeder naar mijn vader zijen dod negenttig fijfvrangstukken voor hetgeen hij voor zijn deel krijgt en daan is alles mijn. Hij is zoo wijt niet gegaan als wij. Nu wet ik nog niet waar hij gebleven is met zijn huishouden. Hetgeen dat wij gekogt hebben dat kost twehondert en negentig doollaren, ons huis ligt van de kerk zoo wijt van waar wij gewond hebben tot bij Ubaks op de Baan en de school tot aan den Boogen en wij hebben tot nij al vijf maal de mies gehadtden. Zeesten van dezen mand toen is onze Klaak gedopt dat was eenne schoonne plegtigheid gewest. Nu zal den biesschop ook koomen dan woorden die kienderen van ons ook gevormd. Het is de zeg dat hij den 14 atoober koomt. Zij moeten alle zoondagen naar de kriesteleer. Als wij geene mies hebben dan woort den roozenkrans gebeden en het evangelie gelezen en ook verscheiden letaniejen.

Ons huis is beter als het gene waar wij uit vertrokken zijn. Twee grote kameren en twee nevenkameren voor in te slapen en eenen kelder. Nu zegt de komplementen aan alle bekenden. (de volgende regels zijn nauwelijks te ontcijferen omdat er gaten in het papier zijn gekomen) Aan Herman Roufs…… Herman Muires en Doores zijn broeder……frouw en kiender en aan mijn tand….. en aan Karrelien……. Aan Ares en zijn vrouw en aan Jan Wielder en aan Hogtandes en zijnne zuster en bijzonder aan Getru Joorissen op den Wal en aan Korneliea Ubaks en harre kienderer en aan Peter Klaschen en Daks en zijn frouw en kiend. Ook aan Jaan Joorissen en aan zijn frouw en aan Judith Bender en aan Peter Jozef Joorissen den schoester. De komplementen aan Streukens aan zijn famielie. Ook de komplemente aan Mevus Muires aan zijne famielie. Het is niet gelijk al gezegt is dat hij in enen berg wont hij heeft een stuk land zoo groot eer gij daar over gegaan zet zijt gij moeg. Ook aan Wullem Jooriessen en aan den Koster en aan den schoolmeester en aan de Heer Pastoor en aan den Heer Kapelaan en aan die mijden.

Martien Kleven, zeit zo goet en sturt mij als gij gelegenheid hebt een pondt wite bulkens en ook voor eenen frang blije en ook een partij verve voor roodt te voor lindt te verven. Als gij het kunt krijgen daan stuirt ook wat voor blauw te verven. Wat het kost dat zal ik betalen. Zeegt aan den heer Kapelaan dat ik hem een brief stuir zoo haast als het nu mogelijk is als den Biesschop nu hier gewest is. Zegt de komplementen aan het Kleevsen en zijn frouw en Fieng. Ook aan Dooris Roufs. Zeegt aan de Klerk dat hij Deurken een paar schoenen met stuir als hij de kanst heeft.

Roufs Godfried

Mijn frouw wast weeder mutsen zij verdient meer daar aan als op den Nieustad. Zij krijgt van ieder muts vijftien zeent en een zeent dat zijn bij u twee en een halfen."



met dank aan Dhr. Zef van de Bergh, Beek †